De chaosmaatschappij

Eenzame verontwaardiging; de teloorgang van systemen

Voorwoord: Een nieuw denken in Europa

‘Is het mogelijk dat jij, die al die tijd in mijn gezelschap was, nog steeds niet door hebt dat de dolende ridders die ons pad kruisten de wereld ondersteboven voorstelden, dat zij ons hersenschimmen voorspiegelden en dwaasheden verkondigden en maar wat riepen? Niet omdat de wereld zo is, maar omdat iedere keer weer andere tovenaars opdoken die alles vervormden en omdraaiden, en alles voor iets anders omwisselden. En naargelang hun bui ons wilden helpen dan wel een loer wilden draaien:’ Miguel de Cervantes, Don Quichot van La Mancha

Elk begin is een goed begin. Tegenwoordig kun je op elk uur van de dag vanuit welke plaats kamer, tuin of kroeg dan ook je reis beginnen. Dat maakt in dit tijdsgewricht niet meer uit. Maar als je echt iets anders wilt in het leven dan blijf je niet stilstaan bij het vertrekpunt. Want het vertrekpunt houdt op, leidt af, je hebt de neiging een gesprek aan te knopen met een toevallige passant. Of je wordt al mijmerend overvallen door een nostalgisch gevoel, je gaat terugblikken, je gaat voorspelbare zaken verkondigen, je gaat meedoen met het mediale circus. En dat wil ik niet, ik wil niet stilstaan, ik wil op reis gaan. Iedere reis houdt namelijk een onvoorspelbaar avontuur in. Waar de reis eindigt, dat is niet interessant, dat is bekend - de illusie dat je nog een onbekend oord ontdekt, behoort allang tot het verleden. Alleen de weg ernaar toe, dat roept nog een bepaalde spanning op, dat kent nog een zeker avontuur. En dat avontuur, voor mij een queeste, blijkt een zwerftocht te zijn, een grillige zigzagbeweging tussen twee polen waar je tal van haarspeldbochten en schier onneembare obstakels zult tegenkomen.

Al heel vroeg hebben dwarse geesten ingezien dat het verzaken - en dat in zijn meest radicale vorm - een doeltreffende strategie was om allerhande heikele kwesties en ernstige misstanden aan de kaak te stellen. Maar dit verzaken mondde bij tamelijk veel lieden uit in het verzaken van zichzelf, van het meest persoonlijke dat de mens bezit, de individualiteit. Verontrust geraakt door deze tendens, misschien uit teleurstelling, onbegrip of wat ook kan opportunisme namen de structuralisten aan het eind van de jaren zestig een kloek besluit, zij schreven met een dikke haal het subject, het burgerlijk begrip van het individu, uit de filosofische denkwereld.
Een aantal van hen ging nog een stap verder, engageerde zich aanvankelijk met veel vuur politiek en/of maatschappelijk om daarna frontaal de aanval te openen op de bestaande cultuur. Zij trokken na een niet altijd even heldere analyse de volgende conclusie: door de maalstroom van indrukken en prikkels die de cultuur voorbrengt - we leven ten slotte in een opdringerige beeld- en eventcultuur - is het individu het spoor bijster geraakt, is het zelfs zijn oorspronkelijkheid en identiteit kwijtgeraakt.
In de ogen van deze betrokken filosofen gaat de hedendaagse mens zwaar gebukt onder een ware terreur van beelden en indrukken die de cultuur dagelijks produceert. Hij wordt erdoor overweldigd, hij gaat eraan ten onder. Deze historisch nieuwe situatie - de ontwikkeling ervan is vanaf de jaren vijftig in gang gezet - heeft ertoe geleid dat er voor hem geen centrale waarden meer zijn waarop hij zich in zijn dagelijkse overlevingstocht nog kan baseren.

Overal om hem heen wordt hij op de meest uiteenlopende terreinen geconfronteerd met verschijnselen die in een crisis verkeren. Niet alleen neemt hij dat fenomeen waar in de hogere sferen van de macht, ook ervaart hij dagelijks dat stelselmatig de elementaire bestaansvoorwaarden en de existentiële waarden worden afgebroken - de waarden die richting aan zijn leven zouden moeten geven. Tijdens dit neergaande proces van ontwaarding is de mens zijn wortels kwijt geraakt, is hem zijn identiteit ontnomen.
Kortom: Het huidige systeem, waarin het spektakel een actieve rol speelt, heeft van de identiteit niet alleen een aantrekkelijk beeldmerk, maar ook een winstgevend handelswaar gemaakt.

Het naar eenheid strevend kapitalistische systeem heeft de tegenstrijdigheden, de discontinuïteit, de verscheidenheid en het negatieve geneutraliseerd. Deze tendens heeft maatschappelijk gezien grote gevolgen gehad, er is geen echte oppositie meer. Zo heeft de massa, waarop in het verleden nog de hoop op de ‘grote’ verandering was gevestigd, de strijd allang opgegeven ofwel uit teleurstelling of doordat zij geheel lamgeslagen is door de terreur die de media uitoefenen. Alleen een handvol creatieve individuen probeert nog een uitweg te vinden uit de hopeloze maatschappelijke en politieke situatie. Het blijken door anarchie aangestoken wezens te zijn, die ieder voor zich een eigen autonomie willen opeisen en die zich in allerlei richtingen zouden willen bewegen zonder dat die richting van tevoren bepaald of voorgeprogrammeerd is.

Dat stelletje dwarse geesten huldigt het standpunt dat de complexiteit én de pluraliteit van het leven nu eenmaal vereisen dat de mens in opstand komt tegen elk gezag dat tot doel heeft het leven (in al zijn hoedanigheden) te brutaliseren. Elke autoriteit die meent dat het leven een essentie heeft en het individu de ‘juiste’ weg wil wijzen om dat leven op een bepaalde, voor de hand liggende manier vorm te geven moet naar hun mening ter discussie worden gesteld. Voor hen geldt, en daar valt niet over te twisten, dat ieder gezag of dat zich dat nu op ideologisch, politiek, moreel of economisch vlak manifesteert, er altijd op uit is de mens zijn autonomie te ontnemen.

Zo dacht ik er in het verleden ook over - ik heb menig boek volgeschreven met kritische uiteenzettingen en boutades over het inperken van de vrijheid - en zo denk ik er nog steeds over, hoewel ik me er ten volle van bewust ben dat de omstandigheden en de situaties totaal gewijzigd zijn. Daarom heb ik na mijn laatste boek besloten een nieuwe weg in te slaan, en dat betekent al met al dat ik een geheel nieuwe start zal moeten maken. Dat heb ik dan ook gedaan. Ik heb me voorgenomen de contouren te schetsen van een nieuw soort denken om zoveel mogelijk obstakels die het vigerende systeem heeft opgeworpen, te overwinnen en op te ruimen.

Dit nieuwe denken zou niet een aaneenschakeling van gedachten moeten zijn die een nieuw ethisch fundament op het oog heeft, maar zich ten volle moeten realiseren dat het ontbreken van een fundament juist nieuwe mogelijkheden schept om tot een grondiger begrip en scherper inzicht van de huidige werkelijkheid te komen. Om dit doel te bereiken zal ik gebruik moeten maken van de bijzondere eigenschappen van de kritiek.
Deze nieuwe kritiek moet de kern van alle waarden aan de kaak stellen en zal zichzelf ertoe moeten verplichten dat aan de kaak stellen voortdurend te herhalen. Als deze kritische manier van denken de eliminatie of de vernietiging van ook maar een enkel aspect van het huidige waardensysteem en denkwijze tot resultaat heeft, is er weer een stap in de goede richting gezet. Immers de essentie van het vergankelijke waardestelsel en de daarmee verbonden ideologie is blootgelegd, de aanzet tot vernieuwing in gang gezet.
Deze nieuwe kritiek die voortdurend onverwachte en dwarse vragen stelt, heeft als voornaamste oogmerk het systeem te ontregelen. Zij ontmaskert terloops de huidige filosofie als een sinistere handlanger van het systeem. Want deze filosofie blijkt helemaal niet het begin van een nieuw denken te representeren, maar juist het laatste overblijfsel van een beschouwing te zijn die het einde ervan vertegenwoordigt en dat einde verafgoodt met een ronduit kinderlijk plezier en pathos.

Elk gedachte die de veelheid van het leven ontkent, en deze in een geordend idee wil onderbrengen, moet worden uitgebannen. Wij lachen om de zogenaamde filosofen die hun vaak minzame ideeën achter zich aanslepen door de eindeloze slagvelden van de media, in het naïeve geloof dat zij ongrijpbaar zijn voor de tentakels van het systeem. Tegenover het huidige irritante filosofisch mediale circus en de laatste resten van het ‘zwartewouddenken’ plaatst de kritische denker nieuwe inzichten die de strakke kaders van het gevestigde denken zullen doorbreken. Tot hier en niet verder, tot zover reikt mijn horizon komt in zijn vocabulaire niet voor.

De meeste filosofen en beschouwers die tegenwoordig de werkelijkheid analyseren en die werkelijkheid opdelen in zo klein mogelijke eenheden hebben zich bekeerd tot een ongedifferentieerd mysticisme. Om het simpel te stellen: deze lieden zijn lid geworden van een of andere spirituele orde die een hedendaagse variant van de mystiek aanhangt. Zij geloven, nee sterker nog zij zijn er vast van overtuigd dat de elementen op zich een ‘eeuwige’ dynamiek en een meerwaarde aan de wereld kunnen geven.
Maar ook voor deze nieuwe mystici geldt de nu toch wel algemeen aanvaarde maatschappelijk wet, dat deze wereld een schijnwereld is waarin de identiteit en het bijzondere is opgegaan in een onophoudelijke stroom van veranderende indrukken. In deze fenomenale wereld, waar het spektakel een grote rol speelt, is het leven overgeleverd aan de wetten van de tijdelijkheid en de vluchtigheid.

In dit gestructureerde leven druppelt de tijd in het vat van de lege dagen. In dit voor een groot deel geregisseerde leven geeft elke neervallende regendruppel het ritme aan van het geleidelijk aan verdwijnen van de tijd, van de weinig overgebleven momenten die nog echt benut zouden kunnen worden om daadwerkelijk een invulling aan het leven te geven.
In deze begrensde wereld is het leven veranderd in een langzaam sterven. Het leven kabbelt voort, de uren, de dagen verglijden. Dan wordt het weer licht, dan weer donker, dag in dag uit, onophoudelijk gaat dit door, zonder dat er echt iets veranderd. We slijten onze dagen in een aanhoudende stroom van momenten, die elkaar voortdurend herhalen. We leven in een gesloten dimensie die nog slechts een enkele eenheid kent: geld, en dan nog een afgepaste en bepaalde hoeveelheid geld. En het is deze eenheid die ons leven, welzijn en handelen bepaalt.

We leven in het onmiddellijke heden, in het nu. We hebben onze tenten opgeslagen in een gebied, dat we niet durven te verlaten. We weten niet of er nog andere onbekende rijken zijn. We menen, nee we zijn ervan overtuigd geraakt, dat we zoveel mogelijk moeten genieten van élk moment van het leven, dat op zich al bepaald en ingevuld is en dat dát de betekenis van het ware leven is. En dat dát leven het leven is waarin de mens alleen maar gelukkig kan zijn en dat hij dat ook weet te waarderen als doel op zich.
Intussen rechtvaardigt de volgzame mens zich tegenover de buitenwereld tot vervelens toe met dezelfde argumenten, hij roept dat hij zich daarmee tevredenstelt. Ja, de hedendaagse mens heeft allang afgeleerd naar iets anders om te zien.
De huidige tijd representeert de essentie van het nihilisme, het zijn en het niets zijn op hetzelfde niveau getrokken. Subjecten en objecten worden aan het niets uitgeleverd om ze vervolgens in een vervormde gedaante weer uit het niets tevoorschijn te toveren. Gedurende dit proces en in deze actie wordt het wezen en het zijn van de subjecten kapot gemaakt. Zij worden tot gewillige objecten van de overheersing gemaakt.

De westerse beschaving die volgens de schoolse filosofie begint bij Plato en vervolgens doorloopt tot pak hem beet eind vorige eeuw heeft het individu beroofd van de overtuiging en de kracht om het leven in het volle licht van het heden te plaatsen. Of het leven nog enig perspectief heeft dat is tegenwoordig geen serieuze vraag meer.
In deze kille uitgebluste wereld waar de herhaling en het simplisme troef is, voel ik me alleen in mijn afgegrensde ruimte. Mijn tuin zie ik als mijn onontgonnen ruimte, mijn schoffel is mijn pen. Ik ben een boer in mijn begrensde en overzichtelijke ruimte, een boer die niemand kwaad doet. De van hoger hand opgelegde moraal, dat maatschappelijk verantwoord geven en nemen, dat moreel compenseren is mij een gruwel. Ik geef grif toe dat ik in mijn leven niet heel erg hard heb gewerkt. Ik heb het gelukkige genoegen gesmaakt niet te weten wat ‘echt’ werken is.
Welnu, ik eis niet veel van mezelf, ik wil alleen een eenvoudige maaltijd, en zo nu en dan een goed glas wijn en een bijzonder toetje op de zondag, het liefst geserveerd en opgediend in mijn mooie wonderschone stadstuin, in mijn eigenhandig gecreëerde wereld waar ik ongestoord wacht op de eerste zonnestraal, op het prachtige heldere witte licht van het ochtendgloren.

De tijd is verdicht, de tijd is een uitdovend gloeilampje in het universum. De ruimte is transparant. Ik zie zijn onmetelijke brede glimlach. Ik zou zo graag de ruimte willen doorkruisen om zomaar, ineens in het paradijs te belanden en daar vrijelijk en ongestoord rond te lopen. Maar het paradijs schijnt volop bezaaid te zijn met doornachtige struiken en foeilelijke maagden en de witte wijn, dat is mij verteld, smaakt daar naar zure azijn.

Momenteel werk ik niet. Nee, ik moet schrijven. Ik moet opnieuw leren de dieren en de dingen te benoemen zoals de eerste homo erectus dat heeft gedaan. Maar in deze moedige poging word ik voortdurend gestoord door het niet aflatende jachtige gedoe, door de opdrachten, de boodschappen en de ruis. Ogenschijnlijk, in ieder geval voor de buitenwereld, gaat het schrijven bij mij als vanzelf, net zoals dat het geval is bij een dier dat instinctief te werk gaat. Oké, ik ben een boom, een spin, een vlieg. Ik zie na een tijd het verschil niet meer tussen werk en mij dagelijks te ontlasten. Maar die hinderlijke ruis die al die vreselijke stoorzenders produceren, blijft mij lastigvallen, daar raak ik maar niet van verlost, die is altijd om me heen, zelfs nu, als ik alleen in mijn tuin ben.

Elke handeling die ik verricht, elke toets die ik aanraak lijkt door ruis omgeven. De handeling om een boek, bijvoorbeeld dit boek te schrijven, en het leven van degene die het schrijft vormen een eenheid. Het schrijven is zijn lichaam. Het is mechanisch werk: het is een vorm van beweging die vanuit een willekeurig punt begint en waar bepaalde krachten moeten worden ingezet: het is thermodynamica, het is een gevecht tegen de entropie, de informatie en de ruis.

Het leven is een glibberig pad waarop je voortdurend uitglijdt, het is broos, het is een vallende ziekte, een vallen en opstaan. In dit leven vol van onzekerheid heeft een endemische angst om uit- en buitengesloten te worden ons in een wurgende greep.

Voor het leven geldt ‘de ijzeren wet’ dat de herhaling dodelijk is. Het is in de val trappen van het hetzelfde, het is of de gefixeerde identiteit zich volledig heeft overgegeven aan het welbekende. Voor de meeste mensen is dat hun laatste strohalm, is het hun enige houvast. Zij weten dat zij daarmee succes kunnen oogsten. Maar let wel, als er alleen maar concerten of toneelstukken zouden bestaan uit datgene wat al gecomponeerd of geschreven is, zou de wereld een valse hel zijn waar alleen maar wat vage identieke schaduwen rondwaren. Dat is de wereld zoals die ons sinds Plato wordt voorgespiegeld, ja ik weet dat maar al te goed. Maar dat is ook de wereld waar de zogenaamde waarheid en de wijze van handelen voorgeschreven zijn, waar die op recept verkrijgbaar zijn.
In een dergelijke wereld wordt alles ten grave gedragen, verdwijnt alles in het niets. Het blijkt de wereld van het voor de hand liggende, het voorspelbare te zijn, het is de wereld waar het banale, de saaiheid en de verveling troef zijn.

De huidige wereld is een kerkhof waar de entropie de afwijkende geest verslindt. Alleen her en der, in de marge, in de uithoeken van het systeem, bestaat het exceptionele nog. Maar voor ‘de laatste enkeling’ is er nog een sprankje hoop, zomaar uit het niets, zou er zomaar een nieuwe gedachte de kop op kunnen steken. Dan blijkt dat we nog leven, dat we nog kunnen denken,

We leven in een chaotische wereld, we leven in een wereld waar de chaos heerst. Nooit is de chaos waaruit alles is voortgekomen opgehouden, nooit is die vernietigd of in bedwang gehouden. Van meet af aan heeft hij de tijd en ruimte in zijn greep. Als een furie trekt de chaos door de immer wankele orde heen om het vastgelopen systeem weer tot leven te wekken. Om het in eenvoudige woorden te zeggen: Ook als er (ogenschijnlijk) orde heerst - de orde is altijd van korte duur - ligt de chaos op de loer.

De chaos is de nulstaat, was er al voor de eerste dag, voor het begin van alles, en die chaos is eeuwig en permanent, is overal en altijd aanwezig.

We hebben onze wortels verloren, we horen de dieren niet meer in het water ronddartelen, we ruiken de zomer niet meer, we zijn de smaak van bier, brood, melk, perziken en tomaten kwijtgeraakt. Die vermaledijde techniek en zijn verworvenheden heeft ons van onze zintuigen beroofd, van het gehoor en de smaak, en ons verpest met ruis en stank. Oude machten uit lang vervlogen tijden hadden onze zielen nog in hun greep. Nu, in deze tijd, zijn er duistere, geheime machten en naamloze, niet traceerbare instellingen in het leven geroepen die onze lichamen controleren. Alles wordt verslonden, alles wordt opgelost, al onze zintuigen worden afgetapt, alles verdampt. En de ruis van de media dekt het onoorbare, het ontoelaatbare en de decompositie toe, de media leggen er een stinkende deken van banaliteiten overheen.

We kunnen in deze tijd onmogelijk nog van een evolutie spreken, met uitzondering van één die de bizarre vormen en mutaties van al die codes verder ontwikkelt. We leven in een tijd die gekenmerkt wordt door de niet te stuiten mechanismen van mutatie, selectie en uitsluiting. We leven in een onomkeerbare tijd die gestuurd wordt door een stroom van banaliteiten die niet te stoppen is.
We moeten onze afwijzing en afkeer van deze maatschappij ombuigen, we moeten weer leren nadenken. We moeten opnieuw leren nadenken over deze tijd en over al die foute erfenissen uit het verleden. En dat is, en druk ik me nog zacht uit, geen eenvoudige opgave, daar ben ik me volledig van bewust.

Laat ik een voorbeeld geven: als we terugblikken op de sinds meer dan tweeduizend jaar tevergeefs ondernomen pogingen om een vaste grondslag voor de moraal te vinden, blijkt dat er helemaal geen natuurlijke, onafhankelijk van menselijke bepalingen bestaande moraal bestaat, maar alleen een moraal die door en door kunstmatig is, een moraal die geconstrueerd is en die te pas en te onpas wordt gehanteerd. Sinds eeuwen blijkt de moraal een uiterst probaat middel te zijn, door machthebbers en ideologen uitgevonden, om het zogeheten ‘zelfzuchtige en boosaardige’ mensengeslacht te beteugelen en onder de duim te houden.

Een filosofie te schrijven van het nieuwe, afwijkende is nog mogelijk. Maar deze filosofie zal in eerste instantie een gedachteconstructie zijn, en wel omdat het object van onderzoek een omvangrijk gebied is dat nauwelijks of in ieder geval onsystematisch in kaart is gebracht. Dat vraagt de nodige denkkracht en inspanning. En de nodige moed. Want ook deze avontuurlijke denker zal eerst met een bepaalde erfenis moeten afrekenen.

Op elk menselijk gelaat tekent zich namelijk een verleden af (dat van de mens en zijn zijnssituatie, zijn omgeving, zijn familie, het milieu of de natie), een heden (een strijd tegen de tijd) en een toekomst (de angst voor morgen, de angst om te sterven). Om zich niet al te veel te verliezen in die gevoelens, zich niet helemaal over te geven aan dat onbestemde gevoel dat nostalgie wordt genoemd, zoekt de avontuurlijke geest zijn eigen weg in de grote geschiedenis van het denken, in het droeve en intrieste verhaal van onderdrukking en macht.

En dan is eerste vraag die al snel bij hem opkomt als hij de gehele menselijke geschiedenis overziet: Wie heeft jou koning gemaakt, wie heeft jou leider gemaakt, wie heeft jou voorzitter gemaakt? Alle koningen, leiders en voorzitters huldigen zich in een groot stilzwijgen. Nu vraag ik jullie: wie wordt nou niet woedend over dit soort praktijken? In ieder geval niet de historicus, nee hij kan alleen maar schouderophalend vaststellen dat de wereld nu eenmaal zo in elkaar steekt. Meer heeft hij niet te vertellen.

In feite zou geschiedenis ons de weg moeten wijzen naar de totstandkoming van die situatie en niet een fabelachtige reconstructie of een platte opsomming moeten zijn van al die zogenaamde glorierijke resultaten en grootse daden achteraf. Geschiedenis moet de wegen blootleggen, geeft aan hoe de machtsposities veroverd worden, hoe machtsverhoudingen fundamenteel gewijzigd zijn. En dat blijkt, zo stellen wij vast, vaak door vuige handelingen van mislukte, verbitterde personen die maar wat graag een beroep doen op de moraal.

De moraal wordt sinds jaar en dag als wapen ingezet en vervolgens in een ideologisch vat gegoten om het volk een rad voor ogen te draaien. Altijd blijkt die moraliteit een doeltreffende en angstwekkende immoraliteit in te houden die vervolgens weer door historici als een indrukwekkend staaltje van realisme en/of pragmatisme wordt geprezen.

Sinds de jaren veertig van de vorige eeuw is langzaamaan het besef doorgedrongen, dat de mens dankzij de stand van de techniek in staat is de wereld volledig te vernietigen. Toch is het agressief handelen, het voeren van oorlogen, het creëren van oorlogssituaties niet aan banden gelegd. Hoe is dat in godsnaam mogelijk? Het antwoord op deze vraag is simpel. Voor een belangrijk deel is dat te wijten aan het ontbreken van een radicale oppositie, voor een ander deel is de oorzaak: het hardnekkig blijven voortbestaan van een vreemd soort schuldbewustzijn. Van dat laatste heeft, zo is mij verteld, alleen de gewone mens last, niet de machthebbers.
Ondanks al die conflicten en woelingen is een aantal stokoude principes en menselijke eigenschappen ontsnapt aan de kritiek. Dat deze wereld beheerst wordt door zelfzucht, ambitie en wedijver is niet echt een nieuwe onthulling, maar dat deze ‘eigenschappen’ en ‘verworvenheden’ niet meer ter discussie staan wel. Er is de afgelopen decennia niets veranderd!

Binnen de context van dit ‘onvolprezen gelukkige’ leven ploeteren we voortaan voort zonder teleologie of eschatologie. Leven we van de ene dag naar de andere. Op de aloude vragen in de filosofie: Waar komen wij vandaan. Wie zijn wij. Waar gaan we naartoe. Daarop heeft de wetenschap een treffend antwoord gevonden. Jullie stammen af van de apen, jullie zijn perverse, uniforme wezens die braaf, stilzwijgend en gehoorzaam, de opgedragen taken moeten uitvoeren tot de dood erop volgt. En op deze onheilstijding zweeg de filosofie in alle toonaarden, zij kon geen betekenis en richting meer aan dit noodscenario geven.

Toen bleef het lang stil aan het denkend front der natie. Totdat we werden opgeschrikt door de mededeling, dat we in alle opzichten waren vastgelopen in onze samenleving. De samenleving was in een neerwaartse spiraal beland. De samenleving is in het slop geraakt en we kunnen de uitgang naar de oplossing niet meer vinden.

Het zijn niet meer de openbare of privécodes die de situaties en de omstandigheden bepalen, maar het zijn de situaties en omstandigheden die de codes bepalen. Dit heeft, om een voorbeeld te geven, geleid tot een complete verstoring van het evenwicht tussen privé en openbaar zodanig dat de oude, eeuwenlang bestaande scheiding tussen het publieke domein en de privéwereld is uitgewist. Er is de afgelopen decennia een geheel nieuwe situatie ontstaan waardoor het individu zijn centrale positie op het wereldtoneel is kwijtgeraakt. De mens als middelpunt van het heelal, de plek die hij moeizaam in de loop van de 17de eeuw veroverd dacht te hebben, is hij drie eeuwen later weer kwijtgeraakt. Voortaan, en dat is zijn lot, mag hij in het mondiale circus enkel nog een marginale rol spelen.

Op deze nieuw ontstane situatie moet een antwoord worden geformuleerd. Dit betekent uiteindelijk dat ik de geschiedenis die de grenzen aan het leven van de mens en zijn omgeving stelt, kritisch moet doorlichten. In andere termen gezegd: ik zal die grenzen moeten duiden en kritisch tegen het licht moeten houden om ze vervolgens in filosofische zin op te heffen, een andere uitweg is er niet. Dit is het verhaal dat ik moet gaan schrijven, deze taak heb ik mijzelf gesteld. Dat noopt me (ver) terug te gaan in de tijd, de tijd waar ooit het denken is begonnen.

Lang leve Socrates (laten we zijn aristocratisch engagement even buiten beschouwing) en de presocratici die nog moedig waren in hun strijd. Socrates (Sokrates), gooi die gifbeker weg en gooi je politieke naïviteit overboord, Diogenes, kom uit die kapotte waterkruik tevoorschijn en ga weer in het volle zonlicht staan. De ware persoonlijkheid is kwaadaardig. Lelijk en kwaadaardig. Hij is een eenling, hij zoekt de plekken op waar de strijdkrachten van de heersende machten met hun zware ideologisch geschut niet kunnen komen. Deze avontuurlijke en risicovolle tocht vraagt veel van de eenzame strijder.

Maar jouw omgeving ziet dat anders die roept: Daar heb je er weer een die zo graag interessant wil doen. Je haalt je schouders op. Onverstoorbaar ga je verder. Je doet voorkomen of je geen enkele illusie meer hebt. Maar je blijft verontwaardigd, getergd en kwaad, eigenlijk ben je verschrikkelijk kwaad. En dan hoop je stilletjes dat het schrijven van dit voorwoord enige verlichting brengt.

Er was eens een man die alles wilde veranderen, ook zichzelf. Hij wilde dapper zijn. Hij wilde niet meer liegen. Niet meer tegen anderen en niet meer tegen zichzelf. Hij wilde, en dat was zijn grootste wens groter lijken, niet in lichamelijk opzicht, neen op zijn lengte valt niet veel aan te merken, hij wilde voor iedereen openstaan, zich vragend opstellen, minder antwoorden geven, meer vragen stellen, hij wilde de dingen opnieuw benoemen. En daartoe diende hij een hele, hele verre avontuurlijke reis in het verleden te ondernemen.
Hoe je het ook wendt of keert, je kunt wel in de breedte maar niet in de diepte over een dergelijk persoon heen.

Dit is het voorwoord van mijn in 2015 verschenen boek Eenzame verontwaardiging; de teloorgang van systemen

© 2010 www.chaosmaatschappij.nl